Gevolgen

De bodemdaling in Groningen heeft voornamelijk gevolgen voor de waterhuishouding. Indien er geen maatregelen getroffen worden zal het dalen van de bodem een (relatieve) verhoging van de grondwaterstand en de boezemwaterstand veroorzaken. Naast gevolgen voor de drooglegging van landbouwgrond, ontstaat er dan een (relatieve) waterstandsverhoging op meren en kanalen, waardoor o.a. de doorvaarthoogte van bruggen vermindert. Ook oeverconstructies en kanaaldijken komen lager en soms té laag te liggen, waardoor schade kan optreden. Ook de hoogtes van zeedijken, zeesluizen en buitendijks gelegen terreinen verminderen ten opzichte van de zeespiegel.

Door de waterschappen in staat te stellen deze relatieve verhoging van boezem- en polderpeil teniet te doen kan schade dus worden voorkomen. Door de geleidelijke bodemdaling en doordat dit gelijkmatig over een zeer groot oppervlak en een lange periode plaatsvindt en gezien de compenserende actie van de waterschappen, zal geen schade aan huizen en gebouwen optreden. De Commissie Bodemdaling heeft dat in 1987 laten onderzoeken door Ingenieursbureau Grondmechanica te Delft, het Instituut TNO voor Bouwmaterialen en Bouwconstructies te Rijswijk en Ingenieursbureau Tauw BV te Deventer, in samenwerking met Koninklijke Shell Exploratie en Productie Laboratorium te Rijswijk. In het rapport Studieresultaten betreffende ongelijkmatige zakkingen is het resultaat van die onderzoeken uitgebreid beschreven.